Evidence-based werken in de jeugdzorg vereist vakmanschap en reflectie

Malou van Hintum, mei 2026

 

Evidence-based werken zou een oplossing zijn voor het gebrek aan kwaliteit in de jeugdhulp – maar dat is het niet. In de jeugdhulppraktijk verschijnt het als het blind volgen van protocollen – en dat is het óók niet. SAR-leden Leonieke Boendermaker en Xavier Moonen zijn allebei zeer ervaren met de implementatie van evidence-based werken. Ze leggen uit wat het wél is: het kennen, wegen en toepassen van drie soorten kennis in complexe situaties, samen met anderen. Daar komt heel wat bij kijken.

Leonieke Boendermaker, lid van de SAR, is projectleider van het onderzoeksprogramma ‘Doen wat werkt’, lector Jeugdzorg (HvA) en bijzonder hoogleraar Implementatievraagstukken in de jeugdzorg (UvA). Xavier Moonen, voorzitter van de SAR, is orthopedagoog en GZ-psycholoog (n.p.), emeritus hoogleraar en emeritus lector gespecialiseerd in kennisontwikkeling over, respectievelijk inclusie van, mensen met (l)vb.

 

Boendermaker: ‘Evidence-based werken in de jeugdzorg betekent dat je in je werk met ouders en kinderen gebruik maakt van wetenschappelijke kennis, en van professionele kennis. Professionele kennis vind je in de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming, of in aanwijzingen binnen je organisatie. Die pas je toe in het werk met ouders en kinderen. Zij op hun beurt hebben kennis over hun gezin, of over wat er aan de hand is met hen of met hun kind. Die drie kennisbronnen –  wetenschappelijke kennis, professionele kennis en ervaringskennis van het gezin – combineer je, zodat je je kennis kunt gebruiken op een manier die past bij de specifieke situatie van een gezin. Op basis daarvan ga je gezamenlijk handelen.’ Moonen vult aan: ‘Het gaat er dan om hoe je die drie soorten kennis weegt, wie die drie soorten kennis weegt, en hoe je die kennisbronnen toepast. Dat is een kunst op zich, daar heb je vaardigheden en een bepaald denkniveau voor nodig.’

Interventies goed toepassen vereist vakmanschap

Evidence-based werken is dus het beredeneerd combineren en toepassen van drie kennisbronnen. Maar soms zijn er voor bepaalde problematieken kant en klare interventies beschikbaar die professionals kunnen inzetten. Vallen die ook onder evidence-based werken? ‘Interventies helpen om evidence-based te werken’, zegt Boendermaker. ‘Er zijn een hoop goed onderbouwde interventies waarvan we uit onderzoek weten dat ze werken. Maar een interventie toepassen, is – anders dan meestal wordt gedacht – niet hetzelfde als een draaiboek afwerken. Je moet je  bewust zijn van de bouwstenen van de interventie, en die zo toepassen dat ze aansluiten bij de jeugdigen of gezinnen met wie je werkt. Dat vergt vakmanschap: om de bouwstenen toe te passen en ze “aan te laten slaan”. De wetenschappelijke kennis zit verwerkt in de interventie, en je gebruikt professionele kennis en ervaringskennis om de interventie “aan te laten slaan”.’

Moonen: ‘Daar komt bij dat we meestal niet met enkelvoudige, maar met complexe problemen te maken hebben. Dat maakt het veel moeilijker om daar effectieve interventies tegenover te zetten.’ Maar, nuanceert Boendermaker, er bestaan wel een paar goede interventies voor meervoudige en complexe problematiek: ‘Zoals MST (multisysteem therapie), IAG (intensieve ambulante gezinsbegeleiding) en MFDT (multidimensionele familietherapie).
‘Sommige professionals denken dat het toepassen van een interventie hetzelfde werkt als het volgen van een recept in een kookboek. Bij interventies voor enkelvoudige problematiek, bijvoorbeeld een training voor jongeren om hun sociale en probleemoplossende vaardigheden te vergroten, ligt er inderdaad een draaiboek voor sessies. Maar ook hier vergt het vakmanschap om de oefeningen uit het draaiboek met jongeren te doen. In een van onze projecten zeiden professionals dat het toepassen van de interventie (het draaiboek) niet zo moeilijk is, maar dat de uitdaging zit in het voordoen, oefenen en reflecteren met jeugdigen of ouders, vooral in een groepstraining.
‘Bij interventies voor meervoudige problematiek is er geen “draaiboek”, maar hebben professionals als het ware een rugzak met heel veel instrumenten. Afhankelijk van de situatie en van wat aandacht nodig heeft, maken ze daaruit een selectie.’

     Een interventie effectief uitvoeren, kost gewoon geld

Dat kan ook mis gaan, weet Moonen: ‘Je ziet vaak dat er wel elementen uit een interventie worden genomen, maar dat die interventie niet modelgetrouw wordt toegepast. Dan gebeurt een interventie dus niet zoals het hoort, en ook niet met alle voorwaarden die daarbij horen.’ Hij geeft het voorbeeld van MST, een interventie die staat of valt met ondersteuning: van hulpverlener A die het gezin ondersteunt, van hulpverlener B die collega A hierbij ondersteunt, en van hulpverlener C die collega B ondersteunt. ‘Dat is een gigantisch bouwwerk om ervoor te zorgen dat er modelgetrouw wordt gewerkt. In zulke gevallen kun je ook heel goed effectonderzoek doen. Maar als dat bouwwerk ontbreekt, is de kans heel groot dat de hulpverlening niet goed verloopt en kunnen we niet bepalen of er überhaupt wel een effect is.’
Boendermaker is het met Moonen eens: ‘Zulke interventies hebben een heel uitgebreid ondersteuningssysteem om professionals te helpen steeds een goede, beredeneerde keuze te maken. Dat maakt die interventies relatief duur – in de praktijk vaak té duur, vinden organisaties of inkopers van zorg. Zij willen bijvoorbeeld wel MST, maar dan zonder al die ondersteuning. Maar als je die weghaalt, is MST niet meer effectief. Implementatie is dus ook een van de randvoorwaarden van goede jeugdzorg.’

Met alleen algemene bouwstenen kom je er niet

Wat dat betreft is het fijn dat het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren er is, vindt Boendermaker. Het bewustzijn dat leren moet, is er inmiddels wel, zegt ze, maar: ‘Dat leren is naar mijn idee nog niet altijd gericht op het goed toepassen van de bouwstenen die in die interventies zitten. Iedereen maakt gebruik van algemeen werkzame elementen: dat je aansluit bij de motivatie van mensen om te veranderen, dat je hoop en verwachting creëert, dat je echt samenwerkt en samen beslist. Dat is heel moeilijk en heel belangrijk. Maar dat is niet het enige. Naast die algemene bouwstenen voor goede zorg, heb je ook specifieke bouwstenen nodig: voor gedragsproblemen, voor angst, voor opvoedvaardigheden. Die zijn daarbovenop echt nodig om gedragsverandering bij jeugdigen en gezinnen te bewerkstelligen.’

     Interventies kunnen ook schadelijk zijn

Moonen: ‘Er is ook veel te weinig aandacht voor de potentiële schadelijke effecten van interventies. Als er geen goede triage is gedaan en bijvoorbeeld kinderen met ernstige problemen in een groep terechtkomen waar kinderen met lichte problemen worden behandeld, kan hun problematiek nog ernstiger worden. Daar moet je oog voor hebben. En dat vereist ook dat de triage met heel veel kennis gebeurt. Ik vrees dat dat lang niet altijd het geval is.’
Iets anders wat het positieve effect van interventies in de weg kan zitten, is de aanname dat interventies altijd beter werken als ze gedegen zijn en langdurig. Moonen: ‘Recent onderzoek laat zien dat kortdurende interventies soms beter kunnen werken dan langdurige. Daar kunnen we meer helderheid over krijgen door de effecten van hulpverlening te meten. Maar dan moet er wel systematisch worden gewerkt en systematisch worden gemeten.’ Maar systematisch meten, en zo de effecten van hulpverlening monitoren, gebeurt veel te weinig, constateren Boendermaker en Moonen. En daar lijdt de kwaliteit van de hulpverlening onder.

Professionals moeten weten of ze hun cliënten wel goed helpen

Professionals kunnen wel denken dat ze goed bezig zijn, maar hoe weten ze of dat ook echt het geval is? Moonen geeft een voorbeeld: ‘Inmiddels weten we dat het belangrijk is dat professionals goed afstemmen met ouder(s) en kind. Professionals denken vaak dat ze dat goed hebben gedaan, maar recent onderzoek laat zien dat ouders en kind vaak helemaal geen goede afstemming hebben ervaren. Leren afstemmen is dus een kunst op zich. En dat geldt ook voor leren luisteren. Dat je iets hebt gehoord, impliceert niet dat je ook goed hebt geluisterd.
‘Al die voorwaarden voor goede jeugdzorg: goed luisteren, goed afstemmen, goed analyseren wat de voorgeschiedenis is, wat de problemen zijn, wat de omstandigheden zijn, zijn samen een kunst op zich. Daarvoor zijn vaardigheden nodig, plus een theoretisch kader waarin je die vaardigheden een plek kunt geven.’ Boendermaker: ‘De gebrekkigheid hiervan is de grootste bottleneck voor de kwaliteit van de jeugdzorg.’

Effecten van hulp kun je gemakkelijk meten – maar het gebeurt nauwelijks

Professionals kunnen weten of ze inderdaad goed hebben geluisterd en afgestemd, door daar tijdens het hulpverleningsproces naar te vragen. Boendermaker: ‘De meetinstrumenten die daarvoor zijn ontwikkeld, zijn echt simpel. Zo bestaat de Session Rating Scale uit drie vragen over alliantie, zoals: ‘Hoe vond je het gaan?” De Outcome Rating Scale bestaat ook uit enkele eenvoudige vragen, bijvoorbeeld: ‘Vond je dit nuttig?’ Als je ziet dat het niet goed is gegaan, kun je vragen wat er moet veranderen. Als je niets vraagt, kom je daar nooit achter en hobbel je maar door. Maar blijkbaar is er een enorme drempel om zulke instrumentjes te gebruiken, want het gebeurt nauwelijks.’
Waarom dat zo is? Boendermaker: ‘We proberen in de jeugdzorg al zo’n 25 jaar vragenlijsten te gebruiken als hulpmiddel om het hulpverleningsproces te monitoren en te verbeteren. Er zijn ontzettend veel filmpjes gemaakt met voorbeelden hoe je dat kunt doen. Er zijn academische werkplaatsen mee bezig geweest. Maar het gebeurt gewoon veel te weinig. Professionals hebben kennelijk een enorme weerstand om tegen ouders en kinderen te zeggen: “Voordat we beginnen, gaan we even een paar vragenlijsten invullen, zodat we gezamenlijk kunnen kijken wat er aan de hand is, en samen kunnen beslissen wat we gaan doen”. Het punt is dat het werken met vragenlijsten wordt gezien als het verzamelen van uitkomst-informatie waar je als professional verder niks mee doet. Ze verzamelen die informatie “voor iemand anders”, niet voor zichzelf.
‘Monitoringsinformatie gebruiken om van de leren, gaat niet vanzelf. Daar is systematische implementatie voor nodig, maar daar is niet continu aandacht voor. Daardoor wordt er wel vaak enthousiast met dingen begonnen, maar doven ze ook snel weer uit. Dat is jammer, want monitoren en daarvan leren, is een randvoorwaarde voor het bieden van kwalitatief goede hulp.’ |
Als er dan toch iets wordt gemeten, is dat alleen aan het begin en aan het eind van het hulpverleningsproces, zegt Boendermaker. ‘Terwijl je juist ook tussendoor moet meten om je behandeling zo nodig te kunnen bijstellen.’

     Professionals praten wel over cliënten, maar niet over hulp die kan helpen

Professionals stellen niet alleen te weinig vragen aan hun cliënten, ze bevragen ook elkaar te weinig. Boendermaker: ‘Je wilt het liefst dat mensen in een teamvergadering een probleem op tafel leggen, en dat collega’s dan gaan meedenken en uitzoeken wat verschillende richtlijnen erover te melden hebben. Vervolgens bespreek je gezamenlijk: wat staat er nou precies in die richtlijnen, en voeren we dat ook uit? Waarom doen we dat wel (of niet)? En waarom lukt het dan niet? Wat zou je anders kunnen doen? Dat zou mooi zijn, maar dat gebeurt veel te weinig. Iemand klaagt bijvoorbeeld wel over een lastige ouder, maar niemand vraagt hoe je wel goed met zo iemand om kunt gaan, of wat er aan de hand is. Daardoor kun je niet gericht naar een oplossing zoeken.’

     Het belang van reflectie en professionele nieuwsgierigheid

Voor Boendermaker is het Doen Wat Werkt-programma de basis om effectief werken in de jeugdzorg in de praktijk te brengen. ‘Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de organisatie en van het stelsel dat professionals de mogelijkheid hebben om te reflecteren op wat ze doen. Dan kan het gaan over algemene bouwstenen of specifieke, over de toepassing van een interventie, of over werken met vragenlijsten. Reflectie helpt om steeds beter te worden in het vak. Dat vergt wel dat er gelegenheid is om te oefenen en feedback te krijgen, en dat er gereflecteerd kan worden op wat er is gedaan, wat we daarover weten, en wat anders zou kunnen.’
Moonen: ‘Wat je hoopt is een voortdurende professionele nieuwsgierigheid, want die heb je nodig. Dus niet steeds terugvallen op “dat heb ik al eens gezien”, “dat weet ik wel”, maar de situatie steeds weer met een open blik analyseren, en openstaan voor andere invalshoeken.’ Ook voor het kunnen blijven ontwikkelen van die nieuwsgierigheid is reflectie cruciaal, benadrukt Boendermaker: ‘En dat is niet alleen een individuele verantwoordelijkheid, maar vooral en ook de verantwoordelijkheid van de organisatie en van het stelsel. Zonder ruimte voor reflectie kun je geen goede kwaliteit leveren.’
Moonen is het er van harte mee eens: ‘Financiers moeten daarom snappen dat mensen niet honderd procent van hun tijd cliëntcontacten kunnen hebben. Ze hebben ook reflectietijd nodig, dat is een noodzakelijk onderdeel van goed professioneel werken.’